Het Eiland
Nog steeds dronken
van de overwinning op de Rode Koningin, viert Warren dagen en nachten
feest. De gruwelen die de Koningin met zich meegebracht had, waren
eindelijk tot een eind gekomen. Leven werd weer zoals te verwachten is
van een gezellig klein dorpje als Warren.
Dagen gingen voorbij en de avonturiers die Warren meerdere keren gered
hadden van de ondergang, bleven achter als de beschermelingen van het
dorp: Orc aanvallen afwerend, bandieten verdrijvend. Warren werd een
erg aangename plek om te vertoeven en de inwoners waren de avonturiers
erg dankbaar voor hun hulp. Echter, nadat er enkele weken vertreken
kreeg Warren meer en meer bezoekers uit andere streken van het land.
Niet zo zeer echte bezoekers, maar ze hadden meer een gevoel van
vluchtelingen om hun heen hangen.
Ze bleven nooit lang, ze sloegen voorraden in met het kleine beetje
geld dat ze hadden en vertrokken weer zo snel mogelijk, amper een woord
wisselend, vragen over wat er gebeurd is alleen beantwoordend met
“Ga weg nu het nog kan, ze zullen ook voor jullie komen.”
Maar de mensen van Warren waren trots. Tenslotte hadden ze duivels
uitgedreven, machtige magisters verslagen en waren ze zelfs bedreven in
tijdreizen. Wat dit ook was, ze zouden het wel even stevig aanpakken
mocht het inderdaad naar Warren komen zoals de vluchtelingen
suggereerden.
En naar Warren komen, dat deed het.
Het was nacht, de mensen van Warren lagen lekker in hun huizen te
slapen toen plotseling de klokken van de kerk begonnen te luiden - het
alarm. Er was iets gaande. Terwijl de mannen van Warren hun

schoppen en
hooivorken pakten, verstopten de vrouwen en kinderen zich in het huis.
De avonturiers deden snel hun pantsers aan, grepen hun wapens en
haastten zich naar het dorpsplein. Het was een chaos, lichamen lagen
verspreid over het plein, onbewegelijk, terwijl de mensen die nog
stonden met hun hooivorken en schoppen de belagers op een afstand
probeerden te houden. Het was moeilijk te zien in het duister, maar de
belagers leken in ieder geval menselijk. Tenminste, dat deden ze tot
een van de wezens zijn hand omhoog hield om een slag uit te delen, en
in plaats van een hand een vreselijke klauw blootgaf.
De klauw sneed
zonder twijfel door het vlees van de arme dorpeling,
en hij zakte op
zijn knieën, het wezen rende door naar zijn volgende
slachtoffer.
Tenmidden van de chaos stond de schout, Dwayne, de wezens dapper op
afstand houdend, maar verscheidene scheuren in zijn tuniek en gaten in
zijn maliën lieten zien dat het zijn tol begon te eisen. Na de
avonturiers het plein op zien te stromen riep hij ze toe;
“Vertrek, vrienden, het zijn er teveel en wij zijn verloren. Neem
mee wie jullie kunnen vinden en vlucht van hier! Wij houden ze op
afstand zolang we nog kunnen.” Na deze woorden was het duidelijk
dat de schout gelijk had, het was hopeloos. Om hen heen begonnen de
laatste verdedigers te vallen en toonde door de linies heen dat er veel
te veel van die, wat het ook waren, waren om te verslaan. De
avonturiers besloten Dwayne’s woorden aan te nemen, en begonnen
te vluchten uit het dorp. Achter hun was een aanvalskreet van Dwayne te
horen, die halverwege veranderde in een pijnlijke gorgel en stil viel.
Tijdens hun vlucht uit het dorp werden de avonturiers achterna gezeten
en van de zijkanten besprongen door de wezens en hoewel ze zo dichtbij
waren, leken ze schaduwen als een gewaad om zich heen te dragen. Ze
vochten terug met tand en nagel, maar het leek de wezens niet in het
minst te deren, hoogstens te vertragen. De avonturiers begonnen in
plaats van te vechten, wanhopig een uitweg te zoeken, weg van deze
wezens en deze hel. Ze begonnen te rennen, sneller en sneller, weg van
Warren, weg van hier. Ze bleven rennen tot ze niet meer konden, en
dachten aan wat de vluchtelingen gezegd hadden.
“Ga weg nu het nog kan, ze zullen ook voor jullie komen.” En gekomen, oh ja, dat waren ze.