Setting en geschiedenis van Quon
Geschiedenis
Quon is een keizerrijk en is in oorlog met
Ranur. Tegen deze achtergrond ontvouwt zich het verhaal van Quon. In
het noorden is een kleine nederzetting gevestigd. Bestaande uit niet
meer dan een paar huizen, een mijn, een winkeltje en Madame
Zanny’s Herberg. Na wat vreemde gebeurtenissen omtrent Madame
Zanny, speelt hier één van de belangrijkste
gebeurtenissen van de geschiedenis af. Sanukes, Quon's grote held uit
vorige oorlogen die was overgelopen naar Ranur, werd hier gesignaleerd.
Sanukes was de bezitter van de Gouden Dolk, een magisch wapen waarmee
hij legers kon aansporen tot grote daden. Een groot gevaar voor Quon.

Dit jaar, 275 NS (NS = NaSlags, het einde van de
eerste Ranuriaanse oorlog), werd hij verslagen in de omgeving van
Madame Zanny’s Herberg.
Ondertussen werd de keizer van Quon ernstig ziek
en moest er een regent worden aangesteld. Het hoofd van het Gilde van
Magisters en Alchemisten werd voor deze functie uitgekozen.
Niet lang daarna werden de eerste Ranuriaanse
orkpatrouilles in de omgeving gesignaleerd. Het vijandelijke leger
naderde. De inwoners besloten de nederzetting te verlaten en weg te
vluchten naar de Quonese hoofdstad Tri Quon.
In de vluchtelingenkampen verschenen de geesten
van de Vrouwe en Heer van het Licht aan de vluchtelingen en brachten
hen naar de zuidelijke woestijn provincie Lichtenstein. Daar stond slot
Lichtensteyn, het Slot der Mysteriën. Wie het mysterie van het
slot op wist te lossen, zou de nieuwe baron van de provincie voor de
keizer worden en het voorrecht krijgen de provincie een nieuwe naam te
geven. Twee handwerkslieden, genaamd Kratos en Atreyu lukte het mysterie

op te lossen en zij noemden de provincie At’ac. Met het
verdwijnen van het mysterie verdween ook het slot, het begin van een
reeks nieuwe problemen en uitdagingen.
Het slot bleek een zegel te zijn dat de
magiër Bavmordo gevangen hield. Met het verdwijnen van het slot
kwam zijn gedaante vrij en met agressie en geweld probeerde hij de
nieuwe inwoners weg te jagen. Ondertussen veranderde de dorstige
woestijn op magische wijze in bos, dankzij de komst van een Ent, een
boomwezen.
Toch konden de inwoners niet aan de oorlog met
de Ranurianen ontkomen. De legers van Quon maakten grote verliezen en
na veel bloedvergieten besloot de Quonese regent zich over te geven aan
Ranur. Quon was na eeuwen oorlog veroverd en een Ranuriaanse gouverneur
nam de macht over in At’ac.
Actueel
Het is het jaar 278 NS. Ranuriaanse soldaten lopen door de Quonese steden en hun gouverneurs besturen de Quonese provincies.

De khan van Ranur heeft de keizer vervangen als staatshoofd. De
meedogenloze Ranuriaanse Shin Orde pakt mensen op om verzetsstrijders
te vinden en is op zoek naar machtige en legendarische voorwerpen.
Magiërs worden gebrandmerkt en behandeld als tweederangs burgers.
Hoofd van de Ranuriaanse strijdkrachten is Vernac. Iedereen moet zich
legitimeren en kunnen verantwoorden naar hem toe. Het oude machtige
Quon is bezet en de vrijheid is ver te zoeken. Het land uitvluchten
heeft geen zin, de grenzen worden zwaar bewaakt.
Belangrijke landen in de omgeving van Quon
Ranur – Ranur is een militaristisch
land. Iedere jonge inwoner wordt op vijftienjarige leeftijd voor het
leger gerekruteerd. Als hij of zij een termijn van drie jaar overleeft,
is de beroepskeuze vrij. Velen worden beroepsmilitair, anderen worden
boer en maken gebruik van slaven om het land te bewerken. Orks worden
gebruikt als stoottroepen en voor experimenten van

alchemisten.
Iedereen is bang voor de geheime dienst, die de Shin Orde heet. Omdat
in Ranur geen magie voorkomt, worden magiërs niet vertrouwd.
Tarantil - Ooit een Quonees graafschap, maar
na de overgave van Quon verklaarden ze zichzelf onafhankelijk. Ranur en
Tarantil zijn nu nog in oorlog.
Hastaria – Het dwergenrijk wat
vooralnamelijk ondergronds gelegen is. De rest van Hastaria is een
bergachtig gebied. De valleien worden bevolkt door goblinstammen.
Shubië – Land grenzend aan
At’ac. Het is het enige land waar de hagedismensen voorkomen, die
in vrede leven naast de mensen van Shubië. Op enkele oases na,
bestaat het grootste gedeelte van het land uit woestijn en dorre
vlaktes. Alleen in het uiterste zuiden van het land lopen enkele
rivieren. Hier wisselen weiden en bossen elkaar af. De grotere steden
van het land bevinden zich in deze regio.
Diarla – Land ten noorden van Ranur. De
inwoners zijn de Al-Grahamers; een mensensoort dat lang leeft.
Gemiddeld worden Al-Grahamers zo’n 400 jaar oud. Een over het
algemeen vredelievend volk, dat ook in oorlog is met Ranur. De oorlog
beperkt zich op het moment tot af en toe een inval van Ranuriaanse
troepen in slecht verdedigde dorpen. Net zoals Ranur komt er in Diarla
geen magie voor.
Kendall - Land ten westen van Quon. Hier wonen voornamelijk de halflings van het continent.
Quenelles – Thuisland van de Orde van de
Volle Maan. De koning is grootmeester van de Orde. Ook hier leven
voornamelijk mensen, maar onder de bergen zijn een paar dwergenstammen
te vinden en in de beboste valleien van de bergketen leven elven.
Hoewel een overgrote meerderheid van de dwergen en elven in de
bergketen leeft, is er een klein aantal dat naast de mensen in de
steden van Quenelles woont. De rivier Hargingo die door het land
stroomt, kent veel verkeer van handelsschepen.
Zar Vondiël – Groot eiland gelegen
in het oosten. De inwoners zijn voornamelijk ruige zeelui. In de
binnenlanden zijn de landgoederen te vinden van de drie rijke families
die het land besturen. Ook de kleine, primitieve stammen wonen in
de binnenlanden samen met een paar elven. Het kleine eiland boven Zar
Vondiël heet Zar Dolon, waar voor zover bekend nog nooit iemand is
geweest omdat het onmogelijk is er te
komen.